De volgende tekst is een fragment uit een gesprek tussen Hans van der Heijden en Richard Hall op 22 april 2021 (eerder in het Engels gepubliceerd op de website van Drawing Matter), waarin de tekenpraktijk van de architect en het gebruik van diagrammen aan de orde komt.
Hans van der Heijden is een in Amsterdam gevestigde architect. In 1994 richtte hij samen met Rick Wessels biq op, waarna hij in 2014 zijn eigen bureau, HANS VAN DER HEIJDEN ARCHITECTEN, oprichtte. Inmiddels heeft hij een herkenbaar en eigenzinnig tekenrepertoire ontwikkeld, waarvan de oorsprong terug te voeren is op zijn opleiding aan de TU Delft in de jaren tachtig. De volgende tekst is een fragment uit een gesprek tussen Hans van der Heijden en Richard Hall op 22 april 2021 (eerder in het Engels gepubliceerd op de website van Drawing Matter), waarin de tekenpraktijk van de architect aan de orde komt.

As Built plattegrond Zuiderhof begraafplaats, Hilversum (W.M. Dudok)
R: Mijn belangstelling voor jouw tekeningen is tweeledig. Ten eerste ben ik geïnteresseerd in tekeningen die zuinig omgaan met hun uitdrukkingsmiddelen en nauwkeurig in hun bedoeling: tekeningen die direct zijn. Ten tweede ben ik geboeid door de rol van het repertoire in architectonisch werk: in termen van methode, representatie en, uiteraard, de gebouwde resultaten. Er zijn enkele terugkerende tekensoorten in jouw praktijk die in bijna alle projecten voorkomen, met een consistente grafische vormgeving en vaste conventies. Een type waarin ik bijzonder geïnteresseerd ben, zijn wat jij ‘diagrammen’ noemt. Kun je iets vertellen over deze manier van tekenen?
H: De eerste reden om die diagrammen te maken is dat ze een belangrijke rol spelen in het ontwerp. Ik sluit het voorlopige ontwerp af met een diagram dat het verband tussen de plattegronden, doorsneden en gevels vastlegt. Het is bijna emblematisch – er zijn nog geen details – maar het is ook een soort overeenkomst met de opdrachtgever en andere belanghebbenden: dit is, in grote lijnen, wat we gaan doen.

Diagram woningbouw Persoonshaven, Rotterdam

Diagram Glaudé-terrein, Groningen

Diagram woningbouw Look W, Schipluiden
Ik probeer deze diagrammen robuust te maken. Ze zijn niet te kwetsbaar of gevoelig voor de onvermijdelijke aanslagen die zich voordoen bij het ontwerpen van sociale woningbouw.
De tweede reden is heel anders: op een gegeven moment besloten we een catalogus te maken van wat we hadden gedaan – en in feite nieuwe diagrammen te maken van gerealiseerde projecten waarvoor die nog niet waren gemaakt – om de ontwerpen vergelijkbaar te maken. Ontwerpen die waren gearchiveerd en opgeborgen, kregen plotseling relevantie omdat ze pasten in een ontwikkeling of een reeks.
Sommige daarvan waren ontwerpen waarbij de aanvallen op het diagram tijdens het bouwproces behoorlijk heftig waren, maar op dit diagrammatische niveau kregen sommige plotseling toch betekenis. Het viel ons op dat ze soms interessante stappen in de ontwikkeling van het bureau aan het licht brachten.
R: En je bent ze gaan maken tijdens jouw biq-tijd?
H: Daar zijn ze begonnen. Ik moet zeggen dat dit zich langzaam ontwikkelde. Er is een artikel gepubliceerd in arq met de titel “The Diagram of the House”, uit 2001, waarin ik voor het eerst het idee verwoordde dat er iets zou kunnen bestaan tussen het type en de daadwerkelijke manifestatie van het project, iets dat wel specificiteit had – topografische oplossingen, verhoudingen enzovoort – en tegelijkertijd openstond voor onderhandeling.1

The Bluecoat, 2½ D-serie
In 2008 was er de openingsshow voor het Bluecoat-kunstcentrum in Liverpool dat wij hebben gebouwd, en voor die gelegenheid maakte ik een serie eenvoudige geveltekeningen – opnieuw zeer emblematisch – de zogenaamde 2½ D-serie.. De Bluecoat-tekeningen waren vereenvoudigde weergaven van een project dat al was gebouwd, en in de jaren daarna probeerden we dit om te draaien en die tekeningen bewust te maken voordat we begonnen met het uitwerken van de details van een project. Daarna werden ze van cruciaal belang.
R: Ze staan dus voor de primaire intenties van een project?
H: Wij noemen het opgavedefinitie.
R: Waren er specifieke voorbeelden of invloeden voor deze tekeningen?
H: In Delft was de invloed van wat later het onderwijzersmodernisme is genoemd – dat zich in de jaren zeventig en tachtig ontwikkelde – onvermijdelijk.2 Ik leerde strakke zwart-wit reductietekeningen te maken om gebouwen begrijpelijk te maken en de overdaad aan informatie die architectuurtekeningen soms bevatten weg te laten. Dat verklaart deels de didactische dimensie, maar er zit ook een esthetische dimensie in de tekeningen zelf. Ik heb altijd graag getekend. Ik teken nog steeds veel met de hand, maar ook op de computer. Ik houd van de computer vanwege de ongelooflijk dunne lijnen en scherpe grafische kwaliteiten die mogelijk zijn. Een vriend van mij noemde mijn tekeningen ‘kalligrafie’; ik denk dat hij ze neurotisch vindt [gelach]. Naast deze esthetische dimensie biedt het format de mogelijkheid om uw eigen associaties te leggen tussen de plattegronden en doorsneden en het beeld.
R: Laten we het hebben over jouw publicatie “Schema van het Huis”.3 Dit document bevat al je projecten tot op dat moment. Elk project wordt weergegeven volgens deze vaste tekenstijl, vergezeld van een foto van het gerealiseerde werk of een maquettefoto. Het document is ongelooflijk rigoureus in zijn herhaling en het vasthouden aan deze stijl … het is een pdf van meer dan 140 pagina’s of zo. Waarom vond je het nodig om dat te doen?
H: Op een gegeven moment maakte ik samen met Karin Templin een monografie met de titel Street Architecture.4 Zij had het nogal gedurfde idee om mijn woningbouw te vergelijken met de stedelijke architectuur van Florence. Ik had Karin uitgenodigd om als praktiserend architect die ook interesse heeft in typologie, woningbouw en stedenbouw een actieve stem te laten horen in het boek. Zij fotografeerde allerlei architectonische elementen in Florence en catalogiseerde deze op een zeer strikte manier: altijd op dezelfde schaal, altijd frontaal gefotografeerd. Ze was daar nogal dogmatisch over. Toen vroeg ze: “Heb je ook details?”. Natuurlijk had ik details – en vervolgens bleef ze vragen om allerlei informatie die op kantoor was opgeborgen en nooit bedoeld was om te worden gepubliceerd of zo.
Dus hoewel ik graag denk dat elke tekening die het kantoor verlaat er mooi uitziet, was het, toen ik al dit materiaal bij elkaar zag, echt chaos. Ik besloot alles opnieuw te tekenen, wat een enorme hoeveelheid werk was. Ik deed het meeste zelf ’s avonds en in het weekend. Het was monnikenwerk, Maar erg leuk om te doen, en therapeutisch, want door het tekenen van deze diagrammen vallen alle ontwerpen ineens op hun plaats. Zelfs dingen die niet zijn gebouwd, vielen op hun plaats, en die samenhang maakte de weg vrij om te praten over ontwerpen die in zekere zin verloren waren gegaan.
Toen dat boek af was, werd het diagramgedoe het nieuwe tekenproject. Sommige diagrammen stonden al in Street Architecture. Daar kwam het vandaan. Hoe mooi zou het zijn om al deze plattegronden in één boek te hebben?
R: Street Architecture, en de verwijzing naar palazzi, doet me denken dat je deze tekeningen ook als onderzoeksinstrument gebruikt. Je tekent op deze manier voorbeelden – ook met mooie opengewerkte isometrische doorsneden.
H: Ja, op dit moment teken ik palazzi [gelach]. Ik maak veel isometrische tekeningen. Ik documenteer nu het enige echte woonpalazzo dat we in Nederland hebben, gebouwd in 1909.5 Het is een prachtig gebouw, maar zelfs historici kennen het niet. Ik heb het bij toeval gevonden, en omdat er geen materiaal over is, kost het veel werk om het af te krijgen. Maar zoals je al zei, ik leer ervan, en ik laat het ook aan mijn studenten zien.
R: Eerder had je het over de analytische tekeningen van het onderwijzersmodernisme. Ik vermoed dat dit verband houdt met die manier om architectonische voorbeelden te begrijpen?

As Built plattegrond en gevels Haus Lemke, Berlijn (L. Mies van der Rohe)
H: Ik word steeds wantrouwiger ten aanzien van de waarheid die tekeningen suggereren. Vorig jaar zijn we naar Berlijn geweest om Haus Lemke van Mies van der Rohe te bekijken – wat trouwens een ongelooflijk huis is – en in alle boeken zie je de versie van het huis voordat er bezuinigd werd. Soms zie je een plattegrond ter grootte van een postzegel van hoe het zou zijn uitgevoerd, maar zelfs die is niet correct. Ik had daar veel foto’s gemaakt en door de bakstenen in de gevels te tellen heb ik een tekening gemaakt van het huis die ik nu een ‘as-built’-tekening noem. Een tekening van deze versie van Haus Lemke bestond voorheen niet. Al tekenend kom je allerlei dingen te weten. Er staat een boom in de binnenplaats, en als je het middelpunt van de boom neemt, kunt je vanuit dit punt allerlei lijnen in de tekening draaien en spiegelen. Op een gegeven moment moet de meester gewoon ergens snel een symmetrie-as hebben ingetekend.
Met deze ervaringen onderzoek ik de palazzo-typologie samen met Karin Templin en mijn collega’s in Rotterdam, Theo van de Beek en Like Bijlsma. We organiseren elk jaar een palazzo-studio en gaan telkens naar een andere stad om palazzi te bestuderen.6 Natuurlijk zijn veel daarvan gebouwd in de renaissance en is het bijna per definitie zo dat de historische tekeningen onjuist zijn. De tekeningen worden vaak rechthoekig weergegeven, zelfs wanneer de locaties niet rechthoekig waren.

Spread uit Leon Battista Alberti, Architetto (Giorgio Grassi red.)
Het gaat mij om de architectonische lezing van historisch materiaal. Die lezing kunnen architecten beter niet aan academici overlaten. Geloof het of niet, maar in het boek van Giorgio Grassi over Alberti zit bijvoorbeeld een spread waarop je een foto van Palazzo Ruccelai ziet naast een door historici gemaakte lijntekening en een technische analyse over hoe de verschillende stenen platen worden gewonnen – en die zijn in werkelijkheid groter dan je het voegenpatroon doet vermoeden.7 Je zou kunnen stellen dat dit gaat over hoe het voegenpatroon werkt – je hebt de gefotografeerde werkelijkheid en je hebt een technisch essay – maar het is opmerkelijk wat de historici doen. Het is een palazzo met pilasters en daar tussenin onregelmatige natuurstenen platen, en de historici maken deze regelmatig. De tekening klopt dus niet met de werkelijkheid.
Als je dan beseft dat de eerste palazzi hun puinmuren lieten zien en dat die pas later werden vervangen door rustica’s en dergelijke, denk ik dat er in de Ruccelai-gevel een tektonische boodschap schuilt: de gevel verbeeldt een ordelijk ritme van kolommen en balken met daartussen een verbeelding van niet-dragend puin. Ik heb altijd een blind geloof in en bewondering voor Italiaanse historici gehad, maar blijkbaar smokkelen ook zij met de feiten [gelach].
R: Wat hoop je dat de studenten leren?

Traveestudie Ca’ Rezzonico, Venetië (Ceylan Kılıç)

Opengewerkte isometrie Ca’ Rezzonico, Venetië (Ceylan Kılıç)
H: Nou, tekenen is erg belangrijk in het atelier. Tot ongenoegen van de staf mogen studenten bij ons geen maquettes maken. In de eerste ontwerpfase moeten de studenten een diagram maken, geheel in de lijn van wat ik heb besproken, en onmiddellijk ook een gekleurde geveldoorsnede op schaal 1:20 – wat zij eng vinden, omdat hun is geleerd dat dit pas op het laatst gebeurt. Maar je kunt al vroeg in het ontwerpproces over constructies nadenken, zelfs als je nog niet precies weet hoe de ramen eruit zullen zien. Je kunt er informatie uit halen. We beginnen bij het abstracte op kleine schaal en het zeer concrete op grote schaal en laten die vervolgens samenkomen. Vervolgens gaat het detail het plan beïnvloeden en vice versa – en de ontwerpen gaan ongelooflijk snel vooruit. Het is verbazingwekkend, omdat studenten niet vastzitten in die circulaire, intuïtieve ontwerpmethode die op scholen wordt gepropageerd.
Bouwen is leuk. Ik herinner me dat een van de studenten het had over het natuursteenwerk in een Romeins palazzo. Ik legde uit hoe het ter plaatse werd gewonnen en gehouwen en moedigde hem aan om te voelen dat de onderkant van de vensterbanken nog steeds scherp was. 700 jaar later zou je je er nog steeds je hand aan kunnen openhalen. Die tactiele kwaliteit van gebouwen is voor mij essentieel. Wat de studenten ook leren, is om een deel van hun schroom voor oude spullen achter zich te laten. Door hen het vermaledijde ding te laten bestuderen zoals het gebouwd is, concentreren ze zich op hoe het gemaakt is, hoe het in elkaar zit, wat de bouwkundige regels zijn enzovoort, en in het kielzog van dat enthousiasme gaan ze lezen en jou vertellen over renaissancistische ontwerpdoctrines.

Opengewerkte isometrie Palazzo Gondi, Florence (Giuliano de Sangallo)
Maar dat is niet waar we mee beginnen. We hameren de ideologie niet erin en zeggen: “Oké, dit is het, bevestig maar wat je in de boeken hebt gelezen”. Ik stel me de bouwpraktijk in de renaissance heel nuchter voor. Ik weet niet of het relevant is voor deze discussie, maar toen ik het Palazzo Gondi van Giuliano de Sangallo in Florence opnieuw tekende, probeerde ik me voor te stellen welke instrumenten Sangallo gebruikte om architectuur te maken, omdat het woord ‘architect’ geeneens bestond. Er waren gilden voor alle beroepen, maar niet voor architecten. Sangallo was zelf lid van het beeldhouwersgilde. Het enige wat hij had was zijn autoriteit, want hij had geen enkel formeel mandaat.
Hoe bouw je dan gebouwen? Mijn vermoeden is dat Sangallo aan de locatie met de bestaande huisjes een geometrisch stelsel heeft opgelegd. Het bouwterrein was had een grillige vorm en hij legde er een structurerend raster op. Rasters zien wij tegenwoordig als objectieve onderleggers die de bouw rationaliseren, maar een raster toonde in de renaissance de hand van God. Het is aannemelijk dat Sangallo gedwongen was om samen te werken met de andere gilden: met de mensen die de puinmuren maakten, de timmerlieden, de funderingsbouwers en ook de steenhouwers. Niemand weet hoe dat precies ging. Maar hij signeerde het geheel niet als een gigantisch beeldhouwwerk, om het zo te zeggen. Eerder Sangallo voegde nauwkeurig die elementen toe die de principes van Palazzo Gondi ondersteunen. Hij beeldhouwde de kapitelen van de zuilen in de cortile, de balustrade van de scala aperto en de schouw van de sala op de piano nobile. Het is ongelooflijk dat u een schouw heeft van vijf bij tweeënhalve meter met fragiele plantenbladeren die anderhalve millimeter dik zijn – en die nog nooit zijn gebroken. Er is niks nieuws aan architecten die hun gebouwen niet tot in de kleinste details kunnen regelen, die hun eigen weg vinden in de bouwpraktijk en simpelweg invloed uitoefenen waar zij dat kunnen.
R: Dit is superinteressant. Wat je daarnet beschreef sluit aan op je eerdere opmerkingen over lesgeven: deze manier van kijken naar dingen en het vastleggen ervan is demystificerend. Tot op zekere hoogte democratiseert het de informatie.
H: Ja!
R: Het is gewoon een gebouw. Het is geen toverkunst. Het kan een heel mooi gebouw zijn, het kan uitzonderlijk zijn, maar het is toch gewoon een gebouw dat uit dingen is gemaakt. Het zou dus mogelijk moeten zijn om het in zulke termen te begrijpen. Hoe is het in elkaar gezet? Wat zijn de redenen waarom het op deze specifieke manier is samengesteld? De ruimtelijke belevingen die men ervaart, zijn het resultaat van het selecteren van fysieke materialen en het samenvoegen daarvan in een bepaalde volgorde. Ik denk dat het architecturale discours deze eenvoudige realiteit vaak negeert of probeert te mystificeren op een manier die ik zeer onproductief vind.
H: Dankjewel voor die observatie. Ik heb er nog nooit op die manier over nagedacht, maar je hebt volkomen gelijk: het is democratisch. Ik denk dat het belangrijk is dat architectuur deelbaar is. Tegenwoordig wordt architectuur gepresenteerd als dure wijn. Je moet eerst verstand hebben van wijn om ervan te kunnen genieten, en je moet alles weten van architectuur om daarvan onder de indruk te zijn. Dat is onzin. Je kunt dat nog verder doortrekken: we zien nu in alle westerse landen een diepgaand wantrouwen jegens de expert, de democratisering van het oordeel. Ik denk dat de reactie daarop van de kant van architecten niet kan zijn om zich nog moeilijker te gedragen. We moeten ons in dat proces mengen en laten zien wie we zijn en wat we aan het proces kunnen bijdragen – wat wij kunnen doen dat andere beroepen niet kunnen. Wat al deze diagrammen doen, en wat Sangallo deed, is in feite het integreren van allerlei uiteenlopende informatie. De ethiek van de steenhouwers, de ethiek van de timmerlieden, het ontwerpraster, de onregelmatigheid van de locatie. Zelfs in die tijd waren de budgetten krap, moest je mensen overtuigen en moest je onderhandelen.
Ik denk dat de geest van de architect uniek is, omdat wij precies dát goed kunnen. Wij kunnen deze gelijktijdige schaakpartijen in ons hoofd spelen. Wij zouden in staat moeten zijn om eenvoudige antwoorden te geven op complexe vragen.
R: Dit is het mooie wanneer studenten in hun eerste oefening wordt gevraagd om tegelijkertijd een diagram en een geveldoorsnede op schaal 1:20 te tekenen. Het benadrukt dit gevoel dat de architect een generalist is – die midden in de werkelijkheid staat – en uiteenlopende informatie met enige duidelijke logica aan elkaar knoopt. En dat dit geen lineair proces is: je begint niet op één plek, zet geen koers uit en komt niet uit waar je naartoe wilde.
Het proces is dynamisch en je moet behendig en vrij tussen de verschillende aspecten heen en weer bewegen. In zekere zin is dit de reden waarom diagrammen voor mij zo’n grote rol spelen: ze bieden je een instrument waarmee je al die complexiteit kunt omzetten naar een format waarnaar je altijd kunt teruggrijpen om te controleren of alles op koers ligt. Zelfs als je alle onafwendbare complexiteit die inherent is aan een project accepteert, zijn diagrammen een middel om dat alles vorm te geven tot architectuur – tot een project – in plaats van louter een opeenstapeling van beslissingen.
H: Dat is precies het punt! Je zou de primitieve kwaliteit van het diagram kunnen vergelijken met het huidige BIM-model. Een BIM-model is immers geen tekening meer, en het integreert ook niet, het slaat alleen data op – het stapelt informatie. Het is iets heel abstracts, en de belofte – en dit is misschien wel de reden waarom architecten zo wanhopig BIM-master willen worden in projecten – is dat we eindelijk, eindelijk het project tot in de kleinste details kunnen beheersen. Eindelijk hebben we de volledige controle over al dat mooie beslagwerk en de mooie lichtschakelaars en waterkranen en de dingen die je in designmagazines ziet. Nou, dat is gewoon niet zo. Maar er is nog een ander ernstig probleem: je krijgt slechts een glimp te zien van wat je krijgt als de BIM-modellen worden afgedrukt of in pdf-formaat worden uitgegeven.
R: Juist. Het duurt even voordat je beseft dat het in de eerste plaats om data gaat, niet om tekeningen. Het gaat duidelijk om coördinatie, maar dat is heel wat anders dan het soort integratie waar jij het over hebt.
H: Zeker. Ik leer in dit opzicht van mijn studenten. Toen ik lesgaf op de RAvB, nam ik de studenten mee naar Cambridge. Ze moesten ook daar gevels op schaal 1:20 tekenen, en er was één studente die een buitengewoon mooie tekening gemaakt. Maar wat had ze gedaan? Ze had een van haar foto’s met hoge resolutie genomen, de beelden onthoekt en deze op een CAD-tekening geplaatst met alleen de contouren van de gevels, en de schaal aangepast. Ze was er tevreden mee, en ik zei: “Ja, maar ziet je dat er hoekstenen zijn? En dat deze hoekstenen drie bakstenen hoog zijn, maar dat er ook drie bakstenen ertussen zitten?” De hoekstenen gaven een schaal aan in dit neogotische gebouw – een subschaal tussen het totaal van het gevelvlak en de ramen, dorpels en sluitstenen – een heel repertoire dat voortkomt uit die module. Mijn student antwoordde echter: “Ja, maar op mijn kantoor maak ik BIM-modellen, en voor ons is metselwerk een textuur”.
Zulke verhalen laten zien dat het BIM-model op dit moment niet echt slim genoeg is om alle verschillende stenen als dingen te herkennen. Gevels zijn slechts een textuur, iets dat later komt, of ter plaatse moet worden opgelost of zo.
R: En wanneer je daadwerkelijk zover komt dat je het gebouw op baksteenafmetingen tekent, beginnen de verhoudingen en relaties te veranderen…
H: En dat is zo belangrijk. Het gaat niet echt om handmatig tekenen, maar zelfs bij het tekenen op de computer realiseerde de studente zich dat de stenen zo groot waren – en zo ontwikkelde ze gevoel voor de schaal van het gebouw. Ik ben er vrij zeker van dat ze daar baat bij had tijdens het ontwerpen, want ze was gewend om haar BIM-expertise te benutten – mooie 3D-modellen maken – maar nu mocht ze geen 3D-modellen maken; ze moest gaan zitten en doorsneden, plattegronden en gevels tekenen en proberen zich voor te stellen hoe groot ze zelf was binnen een digitale wereld.
R: We hebben het gehad over diagrammen, opengewerkte isometrische tekeningen en grote geveltekeningen. Het valt mij op dat je bij andere soorten tekeningen vergelijkbare basisconventies volgt. Je tekent plattegronden op een specifieke manier met één lijndikte, een beperkt aantal lijnen voor de context, één boomsymbool, en alleen het gebouw waaraan je werkt werpt een schaduw. Een ander voorbeeld zijn de met de hand getekende 1:250-aanzichten met zware schaduwen achter de lijnen, in een soort Grassi-achtige Italiaanse traditie, en hoewel ik het niet over schetsen wil hebben omdat we dan op een ander terrein terechtkomen, hebben je schetsen ook een bepaalde esthetiek. Allemaal heel consistent op hun eigen manier, en elk blijkbaar met een specifieke functie. Ik vind dit systeem van verschillende vaste tekensoorten met vaste schalen en vaste conventies buitengewoon intrigerend.
H: Nou, daar zit ook een verhaal achter [gelach]. Op een gegeven moment besloten we dat we een huisstijl nodig hadden. Wouter Overhaus ontwierp die.8 Als Amsterdammer was hij ons in Rotterdam komen opzoeken en het eerste wat hij zei was: “Er klopt hier iets niet [gelach]. Alles wat ik zie als ik jullie gebouw binnenkom, de lift instap en het kantoor binnenloop, bevestigt de hardwerkende, directe aard van Rotterdam. Maar nu zie ik al deze tekeningen op tafel liggen en a) ze zijn allemaal verschillend, en b) ze proberen altijd te behagen”. Zijn advies was om al onze producten op één lijn te brengen, echt alles: maquettes, foto’s, renderings, tekeningen, alles, alles. “Want dat is jullie huisstijl. Als er tekeningen van tien architecten op tafel liggen, moeten mensen meteen kunnen zien: dat is jullie tekening”. Daarna zijn we alles zo uniform gaan maken zoals jij beschrijft.
Een van de dingen die Wouter zei – en dat heb ik in mijn oren geknoopt – is: “we maken een huisstijl voor jullie waarin jullie gewoon door kunnen typen. Blijf gewoon typen, niet nadenken, geen zorgen maken over de opmaak, want die is klaar. Dat is wat je ook met je tekeningen moet doen. Je moet je zorgen maken over wat je maakt en je niet druk maken over lijndiktes. Je kunt er gewoon vanuit gaan dat het goed is en je concentreren op de inhoud, want architectuurtekeningen zijn op zichzelf al mooi”. De terugkeer naar ons eigen geloofssysteem was productief in termen van efficiëntie bij het tekenen, maar ook om duidelijk te maken wie we waren.
Ik geef meteen toe dat dat een pijnlijk proces was. We hadden een sessie met Wouter aan de grootste tafel in het kantoor, vol met al onze producten, en we vroegen hem wat hij ervan vond. Hij was echt heel bot en zei: “dat moet weg, dat is goed, dat moet weg…”. Binnen een kwartier lag er een enorme berg afval, en er waren nog maar een paar dingen over en hij zei: “deze twee, die zijn belangrijk” [gelach].
R: En je gebruikt vandaag de dag nog steeds vrijwel een variant op deze conventies. Breek je wel eens de regels?

As built fragment Zuiderhof begraafplaats, Hilversum (W.M. Dudok)
H: Ja, maar ik ga niet elke keer aan alles sleutelen. Ik ben geen wijndrinker [gelach]. Ik mis gewoon dat soort gevoeligheid. Elke isometrische tekening is nieuw omdat de inhoud anders is. In de tekening die ik nu maak, zijn de voegen van het metselwerk belangrijk, maar als je ze als lijnen behandelt, worden ze te opvallend. Het experiment is dus om een grijs en een transparantie te vinden die zichtbaar blijven binnen de tekening. Voor die specifieke tekening is dat dus waar ik me zorgen over moet maken, en niet over de andere kleuren of lijntypes of wat dan ook.
R: Ik kan me daar wel in herkennen. Mijn belangstelling voor de economie van het tekenen heeft alles te maken met de mogelijkheden die het beperken van je keuzes biedt – en met het weloverwogen maken van keuzes. Ik ben veel meer geïnteresseerd in de inhoud en de compositie dan in verfijnde grafische spelletjes met veel trucs en nabewerking. Ik denk dat het zeer productief kan zijn om zo min mogelijk hulpmiddelen te gebruiken om te verduidelijken wat men doet. Iets waar ik tijdens het lesgeven wantrouwig tegenover stond, was de cultuur van verleidelijke grafische vormgeving als rookgordijn. Als je op een beperkte en vlakke manier tekent, ligt alles bloot voor je. Je moet ideeën hebben: je kunt je nergens verstoppen…
H: Je bent naakt…
R: Ik denk dat het nuttig is bij het ontwerpen van dingen.
H: Ik ben vergeten het vroege werk van OMA te noemen. Dat was héél belangrijk voor mij als jonge student op de TH Delft in de jaren tachtig. Er was veel middelmatigheid op die universiteit. Aldo van Eyck en Herman Hertzberger maakten voortdurend ruzie met Carel Weeber, onze miniversie van O.M. Ungers.
En toen kwam Koolhaas uit het niets. Mijn vader, die voor de Rijksgebouwendienst werkte, bracht een enorme stapel zwart-wit tekeningen mee naar huis van het panopticon-gevangenisproject in Arnhem. Wij dachten dat ze met de computer waren gemaakt, maar dat was niet zo. Iemand in dat bureau had de panopticon-koepel in al die tekeningen telkens driedimensionaal geconstrueerd. Het is zoals jij zegt: ze sloegen je in het gezicht omdat je je nergens kon verstoppen. Het was puur het architectonische idee met verborgen humor. Ik kon me daarin herkennen. Als jonge student voelde ik me geïntimideerd door de ‘wijndrinkers’ op de faculteit, maar deze tekeningen waren zo eenvoudig. Er zat een immense waarheid in.
R: Dit vind ik interessant om te horen. Voordat ik architectuur ging studeren, werkte ik als bouwvakker, naast een vooropleiding voor een kunstacademie. Een van de docenten met interesse in architectuur stelde verschillende goede voorbeelden voor om te bekijken. Veel daarvan leek nogal cryptisch.
Ondertussen had ik Koolhaas’ boek S,M,L,XL in de bibliotheek gevonden, en het was precies zoals jij het beschrijft: er was die directheid en een totale veronachtzaming van de onzin die vaak met “architectuurcultuur” wordt geassocieerd . Dat maakte grote indruk op mij. Ik wist ook niets van wijn… maar OMA – ondanks, of misschien juist dankzij, zijn specifieke vorm van avant-gardistische pretentie – was gewoon zo fantastisch nuchter en open. Het maakte het mogelijk om enthousiast te worden over architectuur als een wereld van ideeën met directe, praktische waarde. Het was een openbaring.
H: Ik had soortgelijke moeilijkheden op de universiteit. Ik sprak de culturele taal niet – mijn ouders waren niet ongeschoold, mijn vader was ambtenaar – maar ik werd plotseling omringd door mensen die als zij een winkeltje moesten ontwerpen zeiden: “Eigenlijk is het een galerie met een koffiebar, waar je op zondagochtend heen kunt gaan om een espresso te drinken en naar kunst te kijken”. In 1981 wist ik niet eens wat espresso was – en ik dacht: “Wauw, wat slim dat je aan die dingen kunt bedenken”. Ik had Koolhaas nodig om te ontdekken dat dit wartaal is.
R: Tenslotte een vreemde vraag. Ik denk dat je die leuk vindt [gelach]. In een van de lezingen die je vorig jaar voor de Architecture Foundation gaf, zinspeelde je op de deugden van “luie architecten”.9 Eric Lapierre hield trouwens ook zo’n lezing, waarin hij suggereerde dat zijn interesse in het rationalisme deels voortkwam uit het vermogen om “op een eenvoudige manier een project te realiseren”.10 Beide uitspraken lijken mij wat lichtzinnig, maar niettemin interessant. Ik denk niet dat er apathie wordt gesuggereerd, maar eerder een houding ten aanzien van hoe men energie vindt. Ik denk dat dit verband houdt met veel van wat je in dit gesprek hebt gezegd. Maken de tekeningen waarover we hebben gesproken een soort productieve luiheid mogelijk?
H: Ik ontwerp liever door na te denken dan door hard te zweten. Ik ben er vast van overtuigd dat de ratio je helpt om de controle te houden over de dingen die je maakt. Als tegenpool daarvan: hoezeer ik hem ook bewonder, heeft Álvaro Siza ooit gezegd dat “goede architecten langzaam werken”. Dat is een mystificatie. Het is niet mijn eigen ervaring en het slaat nergens op. Ik lees veel liever tien boeken en gebruik er dan misschien één gedeeltelijk als bron voor een ontwerp, dan dat ik evenveel tijd besteed aan het steeds weer opnieuw tekenen van hetzelfde stomme ding. Dat zou ik heel, heel saai vinden.
R: Laten we het hierbij houden. Bedankt, Hans.
Noten
1. Hans van der Heijden, The Diagram of the House, arq Vol 5 No 2 (Cambridge: Cambridge University Press), 110-125
2. De term onderwijzersmodernisme is gemunt door de criticus Hans van Dijk en verwijst naar de dominantie van het modernisme in de architectuuropleiding aan de TH Delft, de grootste architectuuropleiding in Nederland. Hans van Dijk, Het onderwijzersmodernisme’, Archis 6. (1990), 8-12
3. Diagrammenboek HvdHA
4. Karin Templin, Street Architecture: Work by Hans van der Heijden (Amsterdam: Hans van der Heijden Architect, 2018)
5. Lutherhof aan het Staringplein in Amsterdam, ontwerp van D. van Oort, 1909
6. Palazzi HvdHA
7. Giorgio Grassi, Luciano Patetta, Leon Battista Alberti Architetto, (Florence: Scala Group, 2005), 222-223
8. Walter Overhaus is creatief directeur van de ontwerpstudio Overhaus in Amsterdam
9. Hans van der Heijden, Working with Type (online lezingenreeks 100 Day Studio van de Architecture Foundation, mei 2020)
10. Éric Lapierre, Marvellous Architecture: Reason as Architectural LSD (online lezingenreeks 100 Day Studio van de Architecture Foundation, mei 2020)