Without and within

Without and Within: Essays on Territory and the Interior

Boekbespreking gepubliceerd in: Architectural Research Quarterly, volume 11 #2, 2007

 

In de echoput die na het werk van Manfredo Tafuri is geslagen galmen de laatste jaren eigenaardige nieuwe woorden en uitdrukkingen. Te denken valt aan de door Rem Koolhaas gemunte term ‘de generieke stad’. Voor jongere generaties architecten en stedebouwkundigen is de stad weer een autoreferentieel en oncontroleerbaar monster, net als in het begin van de twintigste eeuw. Kunstenaar en docent Mark Pimlott voegde een hoofdstuk toe aan de geschiedschrijving van de stad die ons overkomen lijkt te zijn, waarin elke aanspraak op een vorm van ‘authentieke’ architectonische expressie futiel is en de hoop op publiek gedragen stedelijke planning vervliegt. Zijn boek Without and Within: Essays on Territory and the Interior bestaat uit een aantal opstellen over ruimtelijk en interieur ontwerp en onderzoekt gecontroleerde megastructuren, zoals winkelcentra, supermarkten, voetgangerstunnels, luchthaventerminals en zelfs recente ontwerpen voor kunstmusea die gewenst menselijk gedrag afdwingen door het bewerkstelligen van economische voorwaarden, de juiste beelden, fantasieën en zelfs het bouwfysisch klimaat in een architectuur die ons zo vertrouwd is geworden dat de opzettelijk weke aard ervan niet eens meer opvalt.

‘Amerikaanse en Europese ideeën over ruimte en plekken zijn volslagen anders: de eerste is gevormd door systemische strategieën die de Wereld (Pimlott reserveert een hoofdletter W voor onze planeet, HvdH) zijn opgelegd en de tweede uit een ontmoeting met de wereld, waarin de mogelijkheid van een ontmoeting met het andere schuilt’, beweert Pimlott in de inleiding op zijn boek. Hedendaagse publieksruimten zijn bewaakt, air-conditioned en nauwkeurig voorzien van dingen die onze verlangens en dromen prikkelen. Het onderzoek ernaar is glibberig terrein, omdat deze bouwwerken elke architectonische classificatie tarten. Dergelijke omgevingen zijn allang niet meer uitsluitend Amerikaans en vormen een apart fenomeen, maar delen paradoxaal genoeg een vage reeks typologische, tektonische en formele eigenschappen. Het woord omgeving is dan ook toepasselijker dan het woord bouwwerk.

Benthem Crouwel: Centraal Station, Rotterdam

Pimlott maakt zijn punt met tekst en beeld. De opstellen vormen een min of meer doorlopend verhaal waarin een aantal niet met elkaar samenhangende schaalsprongen duidelijk worden. De eerste vindt plaats tussen Thomas Jeffersons Land Ordinance Act uit 1785 en de Homestead Act uit 1862. In die periode verschoof het Europese planningsmodel van bepaalde plekken op basis van historische voorbeelden naar een grensideologie waarin de ruimte als oneindig en leeg werd beschouwd, slechts wachtend op kolonisatie door de nieuwe Amerikaanse ondernemer. Een tweede schaalsprong vond plaats toen de buitenwijken zich ontwikkelden tot uitgestrekte productievelden van consumenten die van cruciaal belang waren voor de economie van Amerika. De groei in het raster van het verstedelijkte Amerikaanse achterland na de Tweede Wereldoorlog zorgde voor een verschuiving in consumentisme. Het onderscheid tussen stad en achterland vervaagde en stimuleerde een toename en verspreiding van de verkooppunten van consumptiegoederen. De shopping mall was geboren. De eerste hadden hun eigen formele repertoire, losjes geconfigureerd en verbonden met de autoweg met daartussen enorme parkeervelden. Een derde schaalsprong komt voort uit de congestie van de oude stadscentra. Hier werd in de jaren 70 het gelijkvloerse atrium van de Amerikaanse wolkenkrabber geïntroduceerd om de enorme fysieke impact van het gebouw zelf te compenseren. Zijn publieke (of beter: quasi-publieke) status moest de terugkeer van traditionele stedelijke activiteiten terug naar het stadscentrum bewerkstelligen. De wolkenkrabber City Corp Centre bood onderdak aan een atrium en een kerk, waar erediensten, cafés en lunchconcerten plaatsvonden. Een traditionele boerenmarkt werd overgeplant naar de metropool New York.

Stedelijke atria

Op dit punt sluit de verhaallijn van het boek zich. De boerenmarkt werd niet gerealiseerd in zijn oorspronkelijke gedaante, maar in die waarin de voorstedelijke ontwikkeling ze had omgetoverd. Het stedelijke atrium als een paradijselijke omgeving gefilterd door de verbeelding van suburbia. Het is de moeite waard om Pimlott uitvoerig te citeren: ‘Dat beloofde stedelijke centrum werd verwezenlijkt door de suburbanisatie – via ‘interieurisering’ – van stadscentra in belangrijke, representatieve gebieden; de verplaatsing van commerciële bedrijven, die oorspronkelijk verbonden waren met het stadscentrum, naar de suburbane regio’s en hun distributie op knooppunten van en uitgebreid raster (op regionale eerder dan stedelijke schaal); en de gelijktijdige verplaatsing van hoofdkantoren van bedrijven uit de stedelijke centra naar door snelwegen doorkruiste oorden. Het resultaat was een volledig versnipperde stedelijke ervaring, waarin kwaliteiten van de stad verspreid lagen over de buitengebieden en omgekeerd.’

Op deze analyse construeert Pimlott een kritiek op een aantal recente megastructurele omgevingen in het domein van de hoge architectuur: de Economist Building van Allison en Peter Smithson, de Louvre-uitbreiding van Pei, de Kunsthal en de Seattle Public Library van OMA. Het karakter van het boek verandert van enigszins academisch en bestudeerd, maar altijd geïllustreerd met een zorgvuldige selectie van ondersteunende beelden, naar meer natuurlijk en vloeiend. Voetnoten verdwijnen niet helemaal, maar verliezen hun directe belang. Bovendien wordt de tekst vergezeld door een reeks foto’s die door de auteur zijn gemaakt. Afgedrukt op groot formaat dragen deze beelden op een suggestieve en autonome manier bij aan de geschreven inhoud van het boek, meer nog dan de beelden in de vorige opstellen.

Terug naar de post-Tafuriaanse echoput. Koolhaas’ diagnose van de stad is bevrijdend geweest voor een hele generatie Nederlandse ontwerpers die hun de ruimte om te ontwerpen te verleende: Het Nederlandse turbo-modernisme viert bewust de kapitalistische decadentie. Tafuri’s Italiaanse school is er vaak van beschuldigd negatief, fatalistisch of zelfs verlammend te zijn. Met al zijn terughoudendheid ten opzichte van zijn studieobject lijkt Pimlott meer sympathie te hebben voor het Italiaanse kamp. Without and Within is geen lofzang op de huidige stand van zaken, maar presenteert in plaats daarvan verschillende middelen om de oorsprong en de impact van het winkelcentrum en het vliegveld beter te begrijpen.

De echte precedenten voor dit boek liggen echter niet in het wetenschappelijke domein, maar in de kunstwereld. De teksten hebben een verschillende focus en karakter. Het kunnen historische overzichten zijn, interpretaties van beeldmateriaal, architectonische observaties, analyses, commentaren en kritieken en ze hebben betrekking op zowel lage als hoge architectonische ontwerpen. Cruciaal, en misschien onderschat door de auteur en zijn redacteuren, zijn de dromerige zwart-witfoto’s van de kunstenaar Mark Pimlott. Deze opnamen brengen ons terug in de realiteit van de wereld. Foto’s en woorden hebben betrekking op alledaagse ervaringen, maar ook op onze intellectualisering daarvan. Pimlott slaagt erin het onderzoek min of meer binnen het architectonische discours te houden. Toch lijkt zijn gedifferentieerde blik meer op het werk van bijvoorbeeld Dan Graham dan op dat van Tafuri. Het is een adequaat antwoord op de architectonische vaagheid van zijn studieobject. Het biedt geen duidelijke stelling of conclusie, maar stof tot nadenken. Het is een substantieel boek, een Boek.