De heroïek van het rationalisme

De heroïek van het rationalisme

Nawoord bij: Andrew Peckham, Torsten Schmiedeknecht (red.), The Rationalist Reader, Architecture and rationalism in Western Europe 1920-1940/ 1960-1990, Routledge, Londen 2013

 

i

Ik ben opgegroeid in een land dat zichzelf als onschuldig beschouwt. De generatie van mijn grootouders heeft de Duitse bezetting van Nederland weerstaan. Voor de generatie van mijn ouders vormen de Tweede Wereldoorlog en het bombardement van Rotterdam traumatische herinneringen. De verschrikkingen van het Nederlandse imperialisme in Indonesië en Zuid-Afrika zijn, geografisch en historisch, zijn echter ver weg en zijn uit het collectieve geheugen gewist. Het historisch besef zit niet diep in Nederland. 400 jaar geleden was de Nederlandse rivierdelta een vrijwel onverstedelijkt moeras, waar landbouw onmogelijk was. Zelfs vandaag blijven de weinige prehistorische, Romeinse en middeleeuwse archeologische relicten die ons resten veilig begraven in de modder. Als jonge architect leerde ik om een eigentijds landschap te construeren en niet om aan of in een territorium te werken. Alles leek mogelijk. Er bestond nog steeds grote woningnood, die werd toegeschreven aan de vernietigingen van de Tweede Wereldoorlog. In de jaren 1990 waren dat de omstandigheden van waaruit de Superdutch-architecten tevoorschijn kwamen. Vol goede moed en met niet aflatende blijmoedigheid voorzagen zij het land van hun suikermodernisme en, gesteund door gulle overheidssubsidies, exporteerden zij hun probleemvrije ontwerpethos naar exotische oorden. Superdutch was het product van een handelsnatie.

Tekstbundel Rationalist Reader

Mijn Duitse vrienden erfden een andere geschiedenis. Hun schuldgevoelens waren weliswaar net zo onterecht als de Nederlandse onschuld en het vermeende slachtofferschap, maar zij konden op geen enkele manier veroorloven om de geschiedenis van hun land heen. De Berlijnse Muur was net gevallen. Er moesten antwoorden worden geformuleerd op de complexe nieuwe politieke realiteit na Die Wende.

Die konden met alle ambivalentie rondom de hereniging niet anders dan melancholiek zijn. De doelen van de Duitse middenklasse en de krakers in Kreuzberg vielen samen in een praktijk van voorzichtige stadsvernieuwing waar de Berlijnse geschiedenis noch bewaard werd (er was toch al weinig van over), noch heilig verklaard werd. De kritische wederopbouw van Berlijn moest de vitaliteit en het politieke zelfbewustzijn van de Duitse cultuur aantonen – dit keer zonder Marshallplan.

Tijdens de kritische wederopbouw van Berlijn manifesteerde de architectuur zich als een discipline die collectieve doelen en privaat handelen kon verenigen. En dat terwijl Rotterdam zelfs vandaag de dag zijn staat van voortdurende instabiliteit viert en de stad beschouwt als bouwrijpe grond. In Rotterdam is de culturele betekenis van architectuur ongrijpbaar.

Tegenwoordig delen Duitse en Nederlandse architecten een Europese markt. Onze generatie ziet een andere realiteit onder ogen. Grote thema’s zijn verdwenen. Onze steden zijn voltooid. Alle benodigde musea zijn gebouwd. Er zijn niet nog meer theaters nodig. Met Europese collega’s van andere nationaliteiten gaan wij ervan uit dat ons werkterrein het naamloze volume moet zijn van stadsuitbreidingen die onze voorgangers niet wisten te beteugelen: de naoorlogse Plattenbau, de Banlieu, de urban sprawl van de Veneto en Zuid-Zwitserland en de Vlaamse Nevelstad. Deze stedelijke omgevingen begrijpen wij niet goed genoeg. Hoewel zij ons architectonisch ongewenst en week kunnen voorkomen, zullen wij het er mee moeten doen. Ze maken deel uit van onze realiteit en zijn, samen met onze hoop en angst, als het ware een deel van onze stad geworden. Er wordt om interventies gevraagd, in uiteenlopende mate van urgentie.

ii

Aldo Rossi: Tiergarten, Berlijn

Terugkijkend op een eeuw rationalisme in de architectuur, is vast te stellen dat dit rationalisme nooit een status quo aangeboden of dat zelfs maar heeft nagestreefd. Daarentegen is het voortdurend betrokken geweest bij de ideevorming over twee specifieke onderwerpen: het vraagstuk van stedelijke vorm en de productie van stedelijke gebouwen. Dit rationalisme richt zich op de architectuur en de stad – en vraagt steeds: wélke architectuur en wélke stad? De ambities zijn niet gering. Het rationalisme beoogt niets minder dan een verbinding te bewerkstelligen tussen de ideologie van onze habitat enerzijds en helder geformuleerde ontwerpmethoden anderzijds. Als zodanig bemiddelt het tussen collectieve doelen en privaat handelen. Het rationalistisch instrumentarium bestaat uit de kennis van de architectuurgeschiedenis, de analyse daarvan en het gebruik van beproefde ontwerpmethoden. Het rationalistische architectuurdiscours tracht de architectuur te demystificeren en te depersonaliseren en in die zin engageert het de beroepsgroep in het politieke debat. Rationalisme wordt beoefend in de schaduw van de Europese Verlichting met de stad Berlijn als een productieve arena, zowel historisch gezien als in de periode na Die Wende.

iii

Of het nu gaat om het conceptualiseren van de stad of de productie van haar gebouwen, de rationalistische denkbeelden zijn de afgelopen 50 jaar verschoven. De stedebouwkunde heeft de aandacht voor de stadsuitbreiding verlegd naar een hernieuwde belangstelling voor de historische stad, terwijl de houding ten opzichte van bouwen is verschoven van de as van industrialisatie en standaardisatie naar architectonisch vakmanschap en contextualisme. Deze paradigmawisseling blijkt duidelijk, hoewel niet exclusief, uit verschillende teksten die als rationalistisch worden beschouwd. Aldo Rossi’s De architectuur van de stad verdrong Le Corbusier’s Ville Radieuse werd verdrongen. De retoriek van de Machine à habiter werd in 1979 definitief terzijde geschoven toen Rossi’s Teatro del Mondo de lagune van Venetië werd binnengesleept.

 

     

 

Dat is meer dan een karikatuur. Het valt nauwelijks te onderschatten hoe de rationalistische rede zich door haar retoriek en door de beeldvorming heeft ontwikkeld tot een onbetwistbare positie. Zonder Rossi’s Teatro zou de wereld er anders hebben uitgezien: het plakte aan het netvlies. Door dit soort iconische symbolen verwierf het rationalisme een zekere heroïek. Zijn doelen waren het waard om voor te vechten. De aankomst van het Teatro del Mondo in Venetië bevestigde de pretentie dat architectuur vanaf dat moment zou gaan over de herinterpretatie van historische stedelijke en architectonische modellen.

Ondertussen wordt de antieke stad goed beschermd. Onze geschiedenis en onze stedelijke monumenten worden gekoesterd. La ville radieuse is niet langer aan de orde. De eigentijdse architectuur wordt verondersteld een sterke persoonlijke signatuur te dragen. Het unieke is in de plaats gekomen van de anonimiteit die zowel eigen was aan het historische handwerk als de industriële standaardisatie. De rationalistische architectuur uit het begin van de twintigste eeuw is geschiedenis geworden. Verwarrend genoeg heeft deze episode, die op gespannen voet stond met de historische stad, nu zelf een canon met de bijbehorende monumentenzorg geproduceerd. Ons stedelijk erfgoed bevat tegenstrijdige ambities en lijkt gefragmenteerd en ongeordend. Relicten uit verschillende periodes hebben dezelfde status gekregen. Binnenstedelijke en suburbane woongebieden zijn onderdeel geworden van dezelfde stedelijke constellatie. Handgemaakte gebouwen staan naast massaproducten, waarbij het unieke in contrast staat met de volstrekte nietszeggendheid. De grens tussen de hoge en lage cultuur is vervaagd.

Rossi’s waardering van de stedelijke ruimte als een verzameling primaire artefacten tegen de achtergrond van het instabiele volume van het normatieve bouwen is onwerkbaar geworden voor architecten die zich bezig houden met het bestaande stedelijke gebied. Omgeven door verstrooid historisch stedelijk materiaal, vragen zij zich nog steeds af: welke stad en welke architectuur?

iv

Modernistische satellietstad Rotterdam Ommoord

De vernieuwing van het naoorlogse stedelijke gebied, beschimpt door Rossi’s tijdgenoten en naar verluidt impopulair bij de inwoners, is een schoolvoorbeeld. Architecten kunnen zich nauwelijks veroorloven zich aan die opgave te onttrekken, alleen al vanwege de omvang ervan. Vermoedelijk is minstens 50% van de West-Europese woningvoorraad na 1945 geproduceerd. Hoe goed kennen en begrijpen we dit stadsontwerp, de architectuur daarvan en de bouwsystemen die gediend hebben bij de productie? Wat zijn de methodologische criteria voor interventies in deze gebieden? Wat zijn plausibele investeringsscenario’s  voor de lange termijn? Of directer geformuleerd: moet de weerzin tegen blinde gevels op de begane grond worden opgevat als fantoompijn die volgt op het verlies aan stedelijkheid van straten en pleinen of als een verlangen naar de herintroductie van dergelijke stedelijke figuren? En zou de afwijzing van een architectonisch vocabulaire, die zozeer het resultaat was van industriële bouwsystemen, nu een alibi moeten zijn voor de creatie van een nieuwe goedverzorgde architectuur die haaks staat op het uiterlijk van deze context?

v

Je kunt nog steeds streven naar een rationalistische bijdrage aan professionele discours over de herwaardering van het Europese naoorlogse stedelijke domein, waar een evenwicht tussen collectieve en private initiatieven vereist is. De vermeende sociale en architecturale weekheid van deze stad lijkt slecht onderbouwd te zijn. Opnieuw komen dezelfde vragen boven: naar welke stad en welke architectuur zoeken wij? Ondertussen moet de architectuur in deze polemiek haar geloofwaardigheid opnieuw verdienen. Een architectonische discipline die slechts haar eigen enthousiasme etaleert zal niet snel erkend worden om haar vermogen om te gaan met de schaal, de vereiste onderhandelingen en compromissen die eigen zijn aan dit soort stadsontwerp.

Aldo Rossi

De architectuur zal haar naïviteit moeten opgeven en de sluimerende vervreemding van de naoorlogse wijken onder ogen moeten zien, de stad aanvaarden zoals die is en niet zoals ze zou moeten zijn en steden en gebouwen evenzeer ‘onderhouden’ als ze definiëren of herdefiniëren. Dat mag verdienstelijk werk zijn en nobele doelen dienen, maar het is ook intrinsiek onheroïsch, tenminste in vergelijking met de gebouwen van vorige generaties architecten. Emblemen die zo’n onspectaculaire architectuur net zo resoluut als Rossi’s Teatro del Mondo in Venetië tot een onbetwistbare positie maken zijn voorlopig onvoorstelbaar.