Brunelleschi’s rol

26 februari 2018 – Vorige weekeinde was ik in New York voor de opening van de tentoonstelling ‘Social Housing, New European Projects’ in het Center for Architecture. Mijn bijdrage bestond uit een grote maquette van de renovatie van de Knikkers in Rotterdam Ommoord en een lezing op het bijbehorende seminar. Twee dingen vielen mij op.

Alsof de ‘oude rollen’ van de architect niet meer voldoen, waren de deelnemende architecten op zoek naar ‘nieuwe rollen’. Je hoort dat in Nederland ook veel. Die nieuwe rollen bestaan vaak uit activiteiten die architecten ondernemen op velden die tegen het ontwerpvak aan liggen: communicatie, organisatie, ondernemen. Zelf vind ik dat het enerzijds heel gezond is dat architecten zich niet opsluiten in hun eigen wereld, maar anderzijds lijkt me dit nog geen reden om van een heel nieuw vak te spreken. Er wordt gezegd dat de renaissance kunstenaar Filippo Brunelleschi de allereerste moderne architect was. Hij bezat exclusieve kennis, want hij was op het einde van de middeleeuwen als enige in staat om de reusachtige koepel van de Dom in Florence te overspannen. Volgens de overlevering was ook Brunellischi een communicatiewonder, organisator en ondernemer. Maar hij kon dingen die anderen niet konden: een grote overspanning bedenken, die inpassen in de bestaande dom en de koepel tot schoonheid verheffen.

Een totaal andere observatie was dat in de VS de betaalbare woningbouw volstrekt gestagneerd is. Onderhoud en beheer zijn al moeilijk. Renovatie is een onbekende grootheid. Nieuwbouw wordt overgelaten aan de markt, die de goedkope eenheden dankbaar gebruikt om moeilijke gaten in de projecten te vullen en deze het liefst apart ontsluit. De moderator van het seminar, Susanne Schindler, had het over de noodzaak van een gedeelde taal bij het werken aan betaalbare (dus niet: sociale) woningbouw. Ik realiseerde mij hoezeer het Knikkers-project in Ommoord het resultaat was van een hoge mate van consensus tussen ontwikkelende, bouwende en ontwerpende partijen. Instituten als KEI, het kenniscentrum voor de stedelijke vernieuwing, waren in de jaren 00 van groot belang. KEI functioneerde als een denktank, maar slaagde er ook in dat partijen consensus vonden en -inderdaad- een eigen taal ontwikkelde die behalve politiek correct ook operationeel was.

Kunnen architecten van de stedelijke vernieuwing iets wat anderen niet kunnen?

 

 

Met ondersteuning van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.