Artikel van HvdH over het werk van prof. Antje Freiesleben en prof. Johannes Modersohn uit Berlijn in de monografie Wirklichkeit/ Reality. Hieronder de Nederlandse originele tekst:

 

Realistische constructie, voorstellen voor Berlijn

Ongetwijfeld zijn de hoogtepunten van de moderne stadsontwikkeling toe te schrijven aan de zeldzame gevallen waarin het stedelijke discours, bestuur, financiering en ontwerpkracht samenvielen. In de geschiedschrijving van de stad hebben wij het over het Nieuwe Frankfurt van Ernst May, de herbouw van Le Havre van Auguste Perret, het Plan Zuid van Hendrik Petrus Berlage. Voor de eenvoud schrijven wij zowel de enorme bouwvolumes als de kwaliteit daarvan toe aan enkele personen.[1]

Onvermijdelijk is de kritische reconstructie van Berlijn die in de jaren ’90 begon verbonden aan de naam van Senatsbaudirektor Hans Stimmann. Zoals de stadsuitbreidingen van Ernst May slechts mogelijk werden dankzij de inspanning van de burgermeester Ludwig Land­mann, de huurbelasting (Hauszinsteuer) die de operatie financierde, de tuinstadideologie die uit Engeland was geïmporteerd en de inspanningen van een groot aantal collega-architecten, zo moet de kritische reconstructie van de stad Berlijn een breed gedragen onderneming zijn ge­weest.

Stimmanns belangrijke medestander was de architect Hans Kollhoff. In de jaren ’90 werd het niet slechts denkbaar om zich te meten met voorheen onaantastbare be­roemdheden als Karl Fried­rich Schinkel, deze historische concurrentie werd richtinggevend en zelfs noodzakelijk om de kritische reconstructie van de grond te krijgen. De inzet was hoog. De term kritische recon­structie agendeerde de nostalgie (naar het onverdeelde, 19e eeuwse Berlijn?) die blijkbaar be­teugeld diende te worden door een ongekwalificeerde, kritische ondervraging.[2]

Dat is geen diskwalificatie van de verdiensten van Stimmann en Kollhoff, integendeel. Dit is echter geen historiografische beschouwing. Hier gaat het over het werk van de architecten Johannes Moder­sohn en Antje Freiesleben (MoFrei), dat niet kan worden begrepen buiten de context van de Berlijnse kritische reconstructie. Een van de eerste realisaties van het bureau staat om de hoek van het Leipziger Platz en het Potsdamer Platz, twee beeldbepalende ensembles uit die tijd. Ondanks de heldere stedebouwkundige figuren lijkt de architectuur, kritisch immers, op zoek naar zichzelf. Hoe indrukwekkend ook, er spreekt een zekere verbetenheid uit de ensembles.

De gevel van het door Mofrei ontworpen kantoorgebouw aan de Ebertstraβe bestaat uit een her­haling van verticale vensters. Het gebouw heeft een kroonlijst en een basement en benadrukt het de perceelsgewijze ontwikkeling van de straat. Het is donkerder en vooral vlakker dan de belen­dingen. Slechts de negges en de pregnant uitstekende natuurstenen vensterdorpels zorgen voor reliëf. De architecten van Mofrei beweren dat Stimmann niet ingenomen was met de afwijkende kleur van het onafgesproken repertoire van de kritische reconstructie. Het is een uit de kluiten gewas­sen palazzogevel waarin de tektonische krachttoeren van Leipziger Platz en Potsdamer Platz ont­breken. Met the tongue in the cheek etaleert Mofrei de kennis van de klassieken.

De bestanddelen van het Florentijnse palazzo zijn evident, ze zijn bewerkt en uit hun historische balans getrokken. In vergelijking met die voorbeelden is de dakrand te fragiel en steekt die te ver uit, het basement is te laag en te transparant, het hek neemt de rol van het ornament over, etc. De architecten zijn in dialoog met hun voorouders, maar zijn er niet mee in gevecht, zo lijkt het. De gevel verkrijgt zijn details in de bladermotieven van de hekjes, die op hun beurt rijmen op de vlekkerigheid van de natuursteen gevelplaten. De suggestie van een basement wordt gewekt door het gebruik van een andere natuursteenkwaliteit en de horizontaliteit van de etalageruiten. De vensters bestaan uit aluminium profielen. De entreehal heeft geaderde marmerplaten, waar­boven glazen panelen voor verlichting zorgen. Het gebouw is uit industriële componenten samen­­­­­­gesteld. Het classi­cisme aan de Ebertstraβe is een constructie van eigentijdse bouw­stoffen.

Wij stuiten hier op een probleem. Het Berlijnse werk van MoFrei is niet te begrijpen buiten Stim­manns kritische reconstructie, maar je kunt het er onmogelijk geheel mee verklaren. Het valt te bedenken dat Modersohn en Freiesleben van een andere generatie zijn. Je zou aan kunnen nemen dat de architectonische generatie van No Future, de punkers die van de 68-ers te horen kregen geen maatschappelijke strijd meer te leveren en ‘onkritisch’ te zijn, veroordeeld was tot de opportu­nistische aanvaarding van de Berlijnse moraal en de praktische verfijning ervan. Dat is in het geval van Mofrei echter beslist te kort door de bocht.

Natuurlijk was Berlijn na Stimmann niet af. En uiteraard evolueerde het dis­cours. De inter­natio­­na­lisering van het vak voltrok zich. In de schaduw van het quasi-martiale turbomoder­nisme van His Remness hing iets in de lucht. In West-Europa ontstond interesse voor genegeerde oeuvre­bouwers, voor archi­tecten die voor anonieme opdracht­gevers aan de grote bouwstromen van hun stad werkten. Een niche binnen die geïnterna­tiona­liseerde punk­generatie schreef een alter­natieve stedelijke canon waartoe architecten als Fernand Pouillon, Kay Fisker, Giovanni Muzio en Asnago Vender behoorden.[3] Zoals de punkmuziek het ster­rendom en de lange gitaarsolo in de ban deed, zo kun je in deze schaduwcanon niet terecht voor tekto­nische scherpslijperij en heroïsche vormdrang. Integendeel, zij duidt een wendbare prak­tijk die het wil doen met de mid­delen die lokaal beschikbaar zijn. De punk­gene­ratie, waartoe Mofrei behoort, bewerk­stel­ligde tenminste twee produc­tieve ontwikkelingen in het archi­tec­tonische programma.

Ten eerste preciseerde het oeuvre van, zeg, Giovanni Muzio en de architectuur van de stad. Waar ‘de stad’ tegenwoordig een containerbegrip is met louter positieve connotaties, bouw­de Muzio het antwoord op twee basale vragen: over wèlke stad hebben wij het eigenlijk en wèlke archi­tectuur past daarin? Muzio stond voor een stoffelijk Milaan met neutrale gebouwen. Hij volgde rooi­lijnen, bouwde hoog waar het kon en bescheiden waar het nodig was. Zijn ge­bouwen op het Piazza del Duomo nuanceren de ruimtelijkheid van het plein, maar doen geen poging om in te grijpen op de monumentale aanwezigheid van de dom. De strengperssteen was zijn mate­riaal. De wederkerigheid tussen stad en gebouw wordt in deze schaduwcanon was verre van schema­tisch en werd steeds op een andere manier aan de orde gesteld.[4]

Ten tweede verschoof de aandacht van het experiment en de hoge architectuur naar het alle­daagse vakwerk en het maatwerk. De materialiteit, de decoratie, het vakmanschap van de ont­werper en de bouwers werden opnieuw deel van de professie. Kortom, zodra het kritisch ver­mogen van de architectuur uit beeld raakte, draaide aanzienlijke delen van de architectuur naar het midden van het maatschappelijk veld. Een markant product is het boek met de neolo­gis­tische titel ‘Midcomfort’ van de architecten Miroslav Šik en Lukas Imhof.[5] Object van studie is o.a. de Reformbewegung. Niet langer hoefde de heroïek van de woningbouw aange­toond te worden met complexe doorsneden of tekto­nische analysen. Het alledaagse comfort en de wel­dadigheid van die architectuur en de aan­vaard­baarheid daarvan zijn de referentiekaders. Zo kwamen bijvoorbeeld het ontwerpvraagstuk van het stedelijke balkon, de loggia en de erker bij Šik en Imhof in beeld.

Ruim tien jaar na het kantoorgebouw realiseert Mofrei een appartementengebouw midden in een Berlijns bouwblok aan de Wallstraβe. Het binnenterrein is groen, stil en informeel. Het is de tegenvorm van het vormelijke decorum van de Ebertstraβe. Ook dit is stedelijkheid. De geleding en het volume van het woongebouw op het binnenterrein zijn de uitkomst van onderhande­lingen. Het is het soort opgave dat maar al te eenvoudig in termen van beperkingen wordt ge­steld. Hier heeft het geen zin om voor Schinkel te spelen.

Nuchter gaat het ontwerp uit van het wonen. Ruime balkons liggen op het zuiden. De balkons hebben halfhoge borstweringen die privacy bieden en de buitenruimten verknopen aan de hoofd­massa van het gebouw. Waar nodig prikken verticale ramen en Franse balkons laconiek in de hoofdmassa. Pleisterwerk met een verschillende mate van ruwheid vormt een patchwork met de gevelopeningen. De entree van het gebouw ligt in de as van de poort naar het binnenterrein. Bewerkte houten deuren en wandbetimmeringen, natuursteen vloeren, spiegels en vensters bewerkstelligen een pregnante architectonische ruimte die de bezoeker herinnert aan de vorme­lijkheid van de straat.

Ongeveer tegelijkertijd ontstaat een woon/werkgebouw aan de Chauseestraβe in Berlin Mitte. Het is een smal, symmetrisch volume. Vanaf de tweede verdieping kraagt de voorgevel uit. De architectuur wordt ook in dit gebouw weer in het gevelvlak zelf gevierd. Beige keramische tegels pretenderen niet om metselwerk te vervangen en suggereren op eigen kracht massiviteit, soli­diteit en textuur. Het richtingloze tegelpatroon wordt op elke verdieping vervangen door lineaire rollagen die de hoogte van de vloeren suggereren. Weer zijn het de vensterdorpels die het gevel­vlak reliëf verlenen. Ter plaatse van de entree wordt het dorpelmotief over de kop gejaagd. Daar zijn dorpels dicht bij elkaar geplaatst om de gekromde glasvlakken naast de voordeur te accen­tueren. Met dezelfde middelen lopen de achtergevels uit in vrije composities met dubbelhoge buitenkamers.

Het is ondub­bel­zinnig wèlke stad en aan wèlke architectuur geconstrueerd is. De vormelijkheid van het pand aan de Chauseestraβe en de informaliteit van de binnen­hof­be­bouwing aan de Wall­straβe herinneren aan weinig anders dan aan de verschillende mani­festaties van de heden­daagse Berlijnse woonstad en refereren aan niets anders dan de Duitse bouwindustrie van het hier en nu- met alle kwaliteiten en tekortkomingen. De projecten gaan voorbij aan de herbouw van een 19e eeuwse ideaalstad. De verbetenheid die eventueel nog aan het Ebertstraβe-kantoor is toe te schrijven is verdwenen. Mofrei committeert zich aan de grote bouwstromen van hun stad. Dit zijn realistische constructies. Johannes Modersohn en Antje Freiesleben hebben een indruk­wekkende positie verworven in de collegiale schaduwcanon van oeuvre­bouwers.

 

___

[1] Zie bijvoorbeeld in zijn opus magnum: Vittorio Magnago Lampugnani, Die Stadt im 20. Jahrhundert, Verlag Klaus Wagenbach 2010.

[2] Zie ook Hans van der Heijden, The Heroism of Rationalism?, nawoord in: Andrew Peckham, Torsten Schmiedeknecht (red), The Rationalist Reader, Architecture and rationalism in Western Europe 1920-1940/ 1960-1990, Routledge, Londen 2013

[3] Zie, in een willekeurige greep: de publicaties van Adam Caruso (ETH Zürich) over Fernand Pouillon, Asnago Vender, de woningbouwstudies Building Register van Bruno Krucker en Stephen Bates (TU München), de inter­netpublicaties Local Heroes op www.winhov.nl, de Architectuurbiënnale van Venetië 2012 onder het door David Chipperfield gesteld thema Common Ground, etc. etc.

[4] Hans van der Heijden, Joost Hovenier, Pragmatic Geometry, Oase #92.

[5] Miroslav Šik en Lukas Imhof, Midcomfort, Birkhäuser 2014.